maandag 17 juni 2024

Aanpak van cultuurverandering om de kloof tussen de systeemwereld van gemeente en de leefwereld van de gemeenschap te overbruggen

Welke benadering en aanpak is meest wenselijk en haalbaar voor gemeentes voor het overbruggen van de kloof van tussen systeem- en leefwereld? Hoe hangt daarbij verandering van cultuur samen met andere systeemaspecten van de gemeentelijke organisatie? Welke uitdagingen zijn er voor het politieke en ambtelijke bestuur om richting en leiding te geven aan deze veranderingen? Wat is hierbij een optimaal reëel scenario?

Allemaal vragen die bestuurders zich kunnen stellen bij het probleem van de vaak genoemde kloof tussen de systeemwereld van de gemeente en de leefwereld van de gemeenschap. En bij de bijbehorende roep om een cultuurverandering binnen die systeemwereld, waarbij deze beter gaat aansluiten bij de belevingswereld en praktijk van bewoners.

Samenvattend

Een effectieve aanpak vraagt in de eerste plaats om bewustzijn van die kloof en inzicht wat betreft de bijbehorende factoren. Het vraagt ook om inzicht in de samenhang tussen cultuur en systeemaspecten, zoals de structuur van de organisatie, gezagsverhoudingen en de P&C cyclus. Van daaruit kan het politieke en ambtelijke bestuur bewust kiezen voor een ambitieniveau voor de cultuur- en systeemverandering binnen de organisatie. Dat kan de basis vormen voor een gemeenschappelijke bestuurlijke visie en benadering. Bij die benadering kan een neiging bestaan tot allerlei programma’s waarbij de kloof grotendeels in stand blijft en die dus in zekere een vorm van symptoombestrijding zijn. Aan de andere kant van het spectrum staat de keuze voor een integrale transformatie van cultuur en systeem. Zo’n transformatie lijkt het meest wenselijk maar zal in praktijk jaren duren en bijzonder veel inspanning vergen om iedereen, ook binnen het politieke bestuur, op één lijn te krijgen in een gezamenlijke beweging naar een directere en intensievere afstemming met de leefwereld.

In praktijk lijkt een combinatie van een parallelle top-down benadering op bestuurlijk niveau en bottom-up beweging op meer praktisch niveau het meest wenselijk en werkbaar. Daarbij zal het geheel aan visieontwikkeling, systeemverandering en de cultuurverandering binnen de verschillende domeinen en organisatieonderdelen en binnen politieke besluitvorming en de participatie daaromheen, met alle bijbehorende programma’s, geleidelijk samen moeten komen en een eenheid moeten gaan vormen. Via een iteratief proces kunnen dan die cultuurverandering en in samenhang daarmee de nodige systeemverandering vorm krijgen en kan geleidelijk de hele organisatie daarin aanhaken. Daarmee kunnen hopelijk de aansluiting bij de leefwereld, de effectiviteit in het aanpakken van maatschappelijke opgaven en de dienstbaarheid van de gemeente zodanig groeien dat er voldoende betrokkenheid, vertrouwen en draagvlak gaat leven onder de bewoners.  

Kloof tussen systeem- en leefwereld

Veelvuldig wordt er gesproken over een kloof tussen systeemwereld en leefwereld. Dat geldt in het bijzonder in de gemeentelijke sfeer waarbij de belevingswereld van politiek bestuur en ambtelijke organisatie onvoldoende lijkt aan te sluiten bij de dagelijkse belevingswereld en praktijk van delen van de gemeenschap die zij met beleid, programma’s en maatregelen beogen te dienen.

Die aansluiting begint uiteraard met de democratische vertegenwoordiging van de gemeenschap in de gemeenteraad. Maar ook als de raad ruimschoots haar oor te luisteren legt bij haar eigen achterban of binnen de bredere gemeenschap kan er nog veel misgaan in de doorvertaling van dat geluid in de raad, in het college en in de ambtelijke organisatie. Ook in de democratische participatie vanuit de gemeenschap, die veelal vanuit die ambtelijke organisatie vorm wordt gegeven, kan veel misgaan en is nog veel te winnen. Momenteel is die participatie in Amsterdam en in andere gemeenten, onder meer in het kader van de onlangs ook in de eerste kamer aangenomen wet versterking participatie op decentraal niveau, volop in ontwikkeling.

De genoemde kloof is publiekelijk zichtbaar onder meer in direct geuite onvrede onder de bevolking rond afzonderlijke thema’s en ontwikkelingen, uitingen en peilingen rond het vertrouwen in de (lokale) overheid in het algemeen en in de opkomst en het stemgedrag bij lokale verkiezingen. Ook komt die kloof terug in de signalen die de Ombudsman bereiken en die hij terugkoppelt richting het politieke en ambtelijke bestuur.

Een holistisch beeld van de constellatie van gemeente en gemeenschap

De gemeente vormt een duidelijk afgebakende organisatie met een concrete organisatiestructuur, een democratisch en bestuurlijk stelsel en allerlei formele onderlinge gezagsverhoudingen. Die organisatie vormt op zichzelf al een complexe constellatie. De gemeenschap vormt eveneens een complexe constellatie met allerlei vormen van (zelf)organisatie en andere groepen. Op het raakvlak tussen gemeente en gemeenschap zijn allerlei institutionele partijen te zien, waar de gemeente direct of indirect mee te maken heeft, die veelal in zekere mate ook deel uitmaken van die systeemwereld.

Een extra complicatie in deze constellatie is dat die systeemwereld grotendeels bemenst is door bewoners uit de gemeenschap met bijbehorende leefwereld, die zij beoogt te dienen. Dat wordt ook soms als een tegenwerping genoemd bij het noemen van het onderscheid en de kloof tussen die twee werelden. Maar als je kijkt naar de kenmerkende cultuur en sfeer van die systeemwereld zie je wel degelijk een fundamenteel verschil met die in de zogenoemde leefwereld, althans een belangrijk deel daarvan (note: in die leefwereld lopen natuurlijk ook veel mensen rond die elders werken in een systeemwereld en zich daar meer of minder mee identificeren). Belangrijke onderdelen van die systeemwereld zijn het vergadercircuit waarin voornamelijk gesprekken óver in plaats van mét betreffende bewoners worden gevoerd en de ambtelijke stukken en bestuurlijke besluiten, die in het algemeen een taal, generalisaties en een abstractieniveau kennen die veelal ver af staat van de taal en belevingswereld van groepen van bewoners die het betreft. (Dat geldt overigens ook voor dit stuk dat primair gericht is op de systeemwereld als doelgroep.)

Vanuit een holistische blik is de gemeente als één grote bubbel en daarbinnen weer als een verzameling van bubbels te zien ten opzichte van de gemeenschap, terwijl die gemeenschap ook een grote complexe en zeer diverse verzameling bubbels omvat. Die twee verzamelingen bubbels vormen samen een bepaalde constellatie waarin er structureel een (te) grote afstand neigt te bestaan tussen de bubbels van de gemeente en die van de gemeenschap. De vraag is hoe die bubbels dichter bij elkaar kunnen komen en meer met elkaar verbonden kunnen raken. En de vraag is of de huidige constellatie van bubbels binnen een gemeente daartoe in staat is en het meest geschikt of dat er een fundamentele verandering in die constellatie mogelijk, wenselijk of zelfs nodig is. Als je dat aan betrokken bewoners vraagt zullen die waarschijnlijk vaak aangeven dat dat laatste het geval is, net zoals de Ombudsman voor de Metropool Regio Amsterdam dat aangeeft voor de gemeente Amsterdam. Overigens vormt de verscheidenheid en afstand tussen veel groepen (bubbels) in de leefwereld bijvoorbeeld met verschillende sociaal economische status, opleidings- en denkniveau, cultuur en/of van verschillende generatie een extra uitdaging om als gemeente een betere en voldoende inclusieve verbinding op collectief niveau in de buurt te maken met die leefwereld.

Behoefte aan cultuurverandering en bijbehorende uitdaging

Naast die kloof wordt, onder meer door het politieke en ambtelijke bestuur in Amsterdam, hieraan gekoppeld gesproken over een behoefte aan cultuurverandering of zelfs culturele revolutie binnen de gemeente. Die verandering beoogt onder meer te leiden tot meer vertrouwen, betrokkenheid, zeggenschap en eigenaarschap onder de bewoners. Gekoppeld daaraan wordt ook ingezet op gemeenschapsontwikkeling door zelforganisatie van bewoners in de Amsterdamse buurten. Ook in andere gemeenten wordt een dergelijke gemeenschapsontwikkeling bevorderd en wordt van daaruit ingezet op een bredere en intensievere vertegenwoordiging en participatie vanuit de gemeenschap richting gemeente.

Cultuurverandering is een bijzonder uitdagend fenomeen, waar ook de nodige kritische grappen over worden gemaakt, zoals de welbekende van Fokke en Sukke. Al zo’n 15 jaar geleden toen Het Nieuwe Werken in zwang was, dat onder meer het flex- en thuiswerken sterk promootte, bleek het daarbij mee laten veranderen van de werkcultuur voor veel organisaties een brug te ver. Oude patronen zoals het lijdzaam aansluiten in de file op drukke dinsdagen bleken hardnekkiger dan verwacht. Ook bewoog het management vaak onvoldoende mee in de nieuwe omstandigheden en sfeer en bleef een houding van ‘command & control’ aannemen in plaats van ruimte geven en vertrouwen. Dergelijke hardnekkige patronen zijn ook zichtbaar en voelbaar binnen de politiek en de ambtelijke organisatie.

Vaak worden allerlei intenties uitgesproken, nieuwe benaderingen geïntroduceerd en trainingen gegeven hoe men op een andere manier met – al dan niet georganiseerde – bewoners om wil gaan, maar blijkt de praktijk weerbarstig. De algemeen directeur in Amsterdam ziet zijn eigen organisatie in dit kader dan ook als een veelkoppig monster en de burgemeester ziet deze als een olietanker, waarbij zij aangeeft “geen recept te hebben om verandering te forceren”.

Diversiteit in rollen en werkgebieden van de gemeente en verschillende soorten relaties met de burger

De gemeente omvat een veelheid aan rollen in een grote diversiteit aan werkgebieden en bijbehorende opgaven. Alleen al het sociale en het fysieke domein beslaan soms zeer verschillende rollen, werkgebieden en opgaven, met vaak zeer verschillende doelgroepen, wat ook neigt te vragen om een andere aanpak, benadering en omgang met bewoners en/of andere betrokkenen. Daaromheen zal organisatieonderdelen ook vaak een eigen gedifferentieerde cultuur kennen. De organisatie kent ook als het goed is generieke gedeelde waarden zoals dienstbaarheid, betrouwbaarheid, transparantie en integriteit. Maar in praktijk zal er tegelijk vaak sprake zijn van soms zeer verschillende benadering van en omgang met de Amsterdamse burger, waarin die waarden niet persé altijd zijn terug te zien. Bijvoorbeeld het omgaan met klanten van WPI of dak- en thuislozen zal sterk verschillen van sfeer, vorm, uitdagingen en houding van ambtenaren met de omgang van participerende bewoners in een buurt. Ook de rol van management en directie en de bijbehorende stijl ven besturen kan samenhangend met de verschillende soorten opgaven en subculturen sterk verschillen.

Het is dus goed om te beseffen dat een one-size-fits-all cultuur(verandering) niet realistisch en passend is. Het is dan ook essentieel om, ook bij een ingrijpende verandering in cultuur met nieuwe paradigma’s, gevoelig te zijn voor de specifieke inhoudelijke uitdagingen waar uiteenlopende directies en afdelingen mee te maken hebben en van daaruit de nodige differentiatie in die nieuwe cultuur aan te brengen.

Daarnaast is het zinvol om in het kader van het overbruggen van de kloof tussen systeem- en leefwereld en het werken aan meer vertrouwen van de burger in de lokale overheid onderscheid te maken tussen:

A. De bejegening van en relatie met burgers en de inspraak en participatie van die burgers op individueel niveau

B. De benadering van en de afstemming en eventuele samenwerking met meer of minder georganiseerde groepen burgers en de daarmee samenhangende gemeenschapsontwikkeling

Ook deze verschillende relaties vragen om vaak een andere vertaling van die generieke waarden naar de praktijk en om een ander zwaartepunt en zullen andere uitdagingen met zich mee brengen bij een cultuurverandering.

Breder perspectief rond cultuurverandering

Uiteindelijk is het natuurlijk het resultaat dat telt. Dus naast de manier waarop bewoners zich bejegend voelen, de ruimte die zij ervaren om te participeren en het beeld in het algemeen van de manier waarop politiek bestuur en ambtelijke organisatie functioneren, wordt het vertrouwen in de gemeente vooral bepaald door het resultaat van haar optreden, de snelheid en wendbaarheid daarbij en de kosten ervan. Ook bij verbetering in die dimensies zal cultuurverandering een antwoord moeten vormen.

Voor de genoemde kloof en het te kort schieten qua effectiviteit en efficiency zijn allerlei factoren aanwijsbaar, die ik in een verdiepend stuk dat zich specifiek richt op de gemeente Amsterdam verder heb uitgewerkt. Denk daarbij aan onder meer: een veel te complexe organisatie (aansluitend bij het ‘veelkoppige monster’ van de gemeentesecretaris), het persistente verschil in taal en beschouwingswijze, de neiging om ‘op te halen’ bij in plaats van echt in een verdiepende dialoog te gaan met bewoners of specifieke doelgroepen, het ontbreken van ruimte voor directe kritische feedback vanuit de gemeenschap op het functioneren van afzonderlijke ambtenaren en/of de organisatie en de veelal comfortabele positie en daarmee samenhangende comfortzone van ambtenaren en bestuurders.

Koppeling cultuur- en systeemverandering

Er zijn vele omschrijvingen en interpretaties te geven van het begrip cultuur en verandering daarvan. In dit kader zou ik het willen omschrijven als het samenstel van gezamenlijke normen en waarden, gedrags-, communicatie- en denkpatronen, benaderings- en werkwijzen, de zelfontwikkelde/-gekozen procedures en methodieken en van de sfeer en ongeschreven regels die daarmee gepaard gaan. Kijkend naar de gemeente als geheel kun je dat als complementair zien aan de organisatiestructuur, de formele gezags- en machtsverhoudingen daarbinnen en wettelijk voorgeschreven procedures en uitgangspunten in werkwijze en communicatie intern en extern.

Er is een belangrijk verband te zien tussen die ‘zachtere’ cultuurkant en de ‘hardere’ systeem- en structuurkant. De structuur en systeeminrichting van de organisatie zal in het algemeen leidend en beperkend zijn voor de cultuur die men daarbinnen heeft ontwikkeld en mogelijke verandering daarvan. De zeer complexe politieke en ambtelijke structuur van de gemeente Amsterdam dwingt bijvoorbeeld of zal vrij automatisch leiden tot allerlei complexe afstemmingsprocedures en een intensieve vergadercultuur bij beleidsvorming, programma’s en projecten. Daarmee neigt deze de afstand tot het perspectief van bewoners of andere betrokken belanghebbenden te vergroten.

Cultuurverandering zal dus veelal alleen effectief of überhaupt mogelijk zijn als er ook een verandering op systeemniveau plaatsvindt, zoals in Amsterdam in het kader van bestuurlijk stelsel en de binnenkort vast te stellen participatieverordening en landelijk in het kader van de omgevingswet gebeurt. Een verandering in organisatiestructuur is veelal ingrijpender, zoals bij de grootste reorganisatie van de gemeente Amsterdam in het vorige decennium. Na dat indringende proces werd ook gesproken over verandermoeheid in de organisatie, wat een extra drempel opwerkt voor nieuwe veranderingen in die sfeer. Maar bij alle behoeften en voornemens rond cultuurverandering moet dus in elk geval ook bewust worden gekeken naar die relatie met structuur en systeem: welke veranderruimte of –beperkingen brengt die nu met zich mee en welke aanpassingen zijn daarin nodig en/of mogelijk om te komen tot een geslaagde cultuurverandering?

Ambitieniveaus en scenario’s voor cultuurverandering om de kloof te overbruggen

Dat brengt mij op een belangrijke bewuste keuze die de verantwoordelijk bestuurders moeten maken bij een beoogde cultuurverandering. Hoe diep- en vergaand kan en moet die verandering worden en welk reëel scenario hangt daarmee samen? Ziet men ook ruimte en heeft men de ambitie om de structuur aan te passen of beoogt men alleen een verandering in mindset, benadering, werkwijze en aanpak en eventuele beleidswijzigingen om als systeemwereld beter aan te sluiten op en samen te werken met de leefwereld? Dat ambitieniveau zal breed gecommuniceerd moeten worden, zowel intern als extern, om verwachtingen te managen en iedereen zoveel mogelijk op één lijn te krijgen.

Samenhangend met die ambitieniveaus kan er meer of minder holistisch en systemisch worden gekeken naar de gemeentelijke organisatie en naar de constellatie die de gemeente in al haar geldingen vormt met de samenleving in al haar geledingen. Op het minimale niveau wordt met name per beleidsterrein met bijbehorende functies, soorten opgaven en programma’s/projecten en/of dienstverlening gekeken naar welke veranderingen in (samen)werkwijze en omgang met de burger wenselijk en mogelijk zijn. Vanuit een meer holistische en systemische blik wordt veel meer als totaal gekeken wat de rol en functie van de gemeente is ten opzichte van de gemeenschap: welke onderlinge posities en spanningsvelden zijn daarin zichtbaar en welke beweging en verandering in onderlinge relatie en omgang is wenselijk en mogelijk voor het gemeentelijke systeem ten opzichte van de samenleving in al haar diversiteit?

Vanuit dat perspectief zie ik grofweg drie verschillende niveaus van cultuurverandering waar het bestuur voor kan kiezen, met bijbehorende scenario’s:

A.      Fragmentarisch gericht op mindset, benadering, werkwijze en aanpak per beleidsgebied/functiegebied van de gemeente. In zekere zin is dit te zien als een vorm van bestrijding van symptomen van een suboptimale constellatie van de gemeente intern en in haar relatie tot de gemeenschap/burger.

B.      Integraal afgestemd en gericht op een consistente gemeente brede andere benadering van en verhouding tot de ‘burger’/gemeenschap, maar wel bij gelijkblijvende structuur en interne verhoudingen. Dit is te zien als een gemeente breed afgestemde en gedragen transitie oftewel beweging van systeemwereld richting de leefwereld. Daarbij kan men wel tegen de beperkingen aanlopen van huidige (complexe) structuur en verhoudingen tussen politiek bestuur en ambtelijke organisatie.

C.      Integraal gericht op een fundamentele verandering in constellatie c.q. structuur en bijbehorende onderlinge verhoudingen, intern en tot de burger/gemeenschap. Dit is te zien als transformatie oftewel culturele revolutie. Daarbij ondergaan zowel politiek bestuur als ambtelijke organisatie een grondige ‘revisie’, waarbij ook andere paradigma’s leidend worden.

Je kunt deze niveaus mappen op het Theory U model met respectievelijk een open mind, open heart en open wil. Hoe dieper je in dat model afdaalt hoe dieper de verandering in jou als persoon en in het bredere systeem waar je deel van uitmaakt. Op het eerste niveau vind alleen een oppervlakkige verandering plaats, die verspreid in de organisatie een verschillende vorm krijgt die vooral samenhangt met betreffende functie en beleidsterrein. Op het derde niveau maak je als geheel een diepgaande onomkeerbare verandering door op persoonlijk vlak en als geheel (zowel de gemeente zelf als het totaal van gemeente en gemeenschap in onderlinge verhouding). Een dergelijke onomkeerbare verandering vraagt wel om een zekere kwetsbaarheid van onder meer bestuurders en brengt een ‘liminale’ periode met zich mee met een sfeer van loslaten van oude zekerheden en patronen.

Uitdagingen op bestuurlijk niveau

Meest effectief en efficiënt is in principe om als politiek en ambtelijk bestuur vanuit een gezamenlijk inzicht en bewustzijn expliciet een gezamenlijke keuze te maken wat betreft dat ambitieniveau en de verdere aanvliegroute en benadering van een cultuurverandering en eventuele (integrale) systeemverandering. Van daaruit kan het bestuur in onderlinge afstemming een vertaling maken naar een consistente beweging en invulling op verschillende beleidsterreinen.

Op het bestuurlijke niveau zie ik vijf belangrijkste uitdagingen om te komen tot een dergelijke gezamenlijke visie en benadering, deels op zowel politiek als ambtelijk niveau en in het samenspel tussen die twee, deels alleen binnen het politieke bestuur:

  • De afstand tussen de (politieke en ambtelijke) bestuurlijke wereld en de praktijk in de samenleving en in de directe contacten tussen gemeente en burger. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het proces rond het toeslagenschandaal.
  • Het spanningsveld en verschil in rol en positie tussen politiek bestuur (raad en college) en ambtelijk bestuur
  • Het gebrek aan ruimte voor bezinning en verandering, individueel en collectief
  • De uiteenlopende politieke idealen, belangen en visie binnen college en raad
  • De beperkte reikwijdte in de tijd van een politieke bestuursperiode en de dynamiek die de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen c.q. mogelijke wijzigingen in politieke koers met zich meebrengen

Conclusie

Voor een effectieve cultuurverandering is het nodig om als bestuur een duidelijk ambitieniveau en bijbehorende lijn van ontwikkeling te kiezen. Anders dreigen inspanningen op dit vlak uiteindelijk weinig te veranderen aan de kloof tussen systeem- en leefwereld en vooral vormen te worden van bestrijding van symptomen van die (blijvende) kloof. Als er vanuit een gemeenschappelijke visie voor een krachtige indringende verandering in cultuur wordt gekozen is er nog de 2-sprong van transitie versus transformatie. De eerste betekent een geleidelijke verandering, die niet persé samen gaat met een ingrijpende revisie van de structuur en andere hardere aspecten van het organisatiesysteem. De tweede betekent een fundamentelere en radicalere omslag in mindset en benadering van en verhouding tot de leefwereld, die ook veelal gepaard zal moeten gaan met een herstructurering van de organisatie en fundamenteel andere verhoudingen en omgang binnen en tussen het politieke bestuur en de ambtelijke organisatie.

Aangezien er vanwege de dagelijkse druk op bestuurders samenhangend met lopende opgaven en incidentele uitdagingen veelal bijzonder weinig ruimte voor bezinning is, laat staan voor fundamentele verandering in mindset en benadering, lijkt het laatste een utopie. Daarnaast gaan er sowieso vele jaren overheen om de cultuur binnen een omvangrijke en complexe organisatie met bijbehorende hardnekkige patronen te veranderen. In de tussentijd is er ook op het meer operationele niveau behoefte om met een antwoord te komen op de behoefte aan betere aansluiting op de leefwereld. Op dat praktische niveau zal men de neiging hebben om in directe reactie op die kloof en concrete uitingen daarvan zelf veranderingen in benadering, aanpak, werkwijze en houding te zoeken en vorm te geven.

Daarom pleit ik voor een parallelle iteratieve ontwikkeling op alle drie de genoemde veranderniveaus en dat zoveel mogelijk in onderlinge afstemming en wisselwerking. Zo kan men zowel op korte termijn met een wenselijk antwoord komen om de kloof tussen gemeente en burger te overbruggen als met een structurele brede verandering en kan men dat vanuit een gemeenschappelijk gedragen en uit te dragen verhaal doen. Daarin zal voor alle betrokkenen binnen en buiten de organisatie duidelijk moeten worden waarom en hoe men bezig is deze beweging te maken en verder vorm te geven en wat ieders positie, rol, opgave en verantwoordelijkheid hierin is. Ik zie het ook als wenselijk om dat in de tijd te plaatsen dus te relateren aan huidige en volgende bestuursperiodes.

zaterdag 10 april 2021

Wat is vrijheid?

Een filosofische vraag over een van de belangrijkste thema’s in ons leven en in onze samenleving


Graag belicht ik dit thema van een aantal kanten:

A.  Associaties in ons leven en in onze samenleving

B.  Fysiologisch en van daaruit gevoelsmatig en emotioneel

C.  Mogelijke beperkingen van pure vrijheid

D.  Vrije wil en gedachtenvorming


Ad A. Associaties met het begrip vrijheid

Bij het begrip vrijheid denk ik onder meer aan: de vrijheid die we via bevrijding hebben gekregen na de 2e wereldoorlog en die we bij Bevrijdingsdag vieren; autonomie; onafhankelijkheid; vrijheid van meningsuiting en -vorming, religie, seksuele oriëntatie e.d. zoals in de grondwet opgenomen; bewegingsvrijheid en keuzevrijheid; vrije partnerkeuze; vrijen (seks hebben); vrije tijd; vrij spelen van kinderen; vrij spel hebben.


Ad B. Fysiologische, gevoelsmatige en emotionele vrijheid

Uiteindelijk is één van de belangrijkste manieren om vrijheid te ervaren een werkelijk vrij gevoel hebben. Je kunt je zelfs (momentaan of zelfs structureel) vrij voelen, terwijl je – vanuit maatschappelijk perspectief – niet vrij bent. In essentie betekent dat vrije gevoel naar mijn idee dat energie vrij, dus zonder emotionele of andere blokkade, door je lichaam kan stromen. De basis daarvoor is ontspanning. En het kan gestimuleerd worden door fysieke beweging, maar ook door (hoofdzakelijk) mentale activiteit. Ook meditatie kan een vrij gevoel geven. Een ander sprekend voorbeeld is mindfulness/presentie waarbij je hele ‘systeem’ betrokken en in harmonieuze toestand/beweging is. Vrije emotionele expressie, die eventueel tegelijk een emotionele ontlading vormt, is ook een manier om je vrij te voelen.


Ad C. Beperkingen van vrijheid

Het stilstaan bij mogelijke beperkingen geeft mij eigenlijk het meest concrete praktische inzicht in wat vrijheid is en vooral dus ook hoe het beperkt kan worden. In wezen kun je vrijheid juist definiëren als de afwezigheid van die beperkende factoren. Daarbij kun je ons als menselijk (dierlijk) wezen van nature vrij zien. Dat gevoel is ook te benaderen door de vrije natuur in te gaan en daar gewoon te doen waar je zin in hebt (voor zover dat niet belemmerd wordt door anderen en/of wetgeving). Bijvoorbeeld vrij bewegen, gek doen, niets doen, vrijen (met consent van de ander) of jezelf bevredigen, naakt zijn, spelen, vuurtje stoken (voor zover dat niet uit de hand loopt en überhaupt is toegestaan), een zandkasteel of hutje van gesprokkeld hout bouwen, etc...

Alle beperkingen ten opzichte van dat vrije gevoel kun je zien als beperkingen van vrijheid. Daarbij kun je in elk geval denken aan concrete beperkingen zoals wettelijke geboden en verbonden (in het verkeer en in uitingen en gedrag die bijv. anderen niet mogen schaden) en verplichtingen (zoals belasting betalen, naar school gaan of je kinderen naar school sturen). Verder hebben de meeste van ons ook bepaalde economische afhankelijkheden en/of verplichtingen, zoals het voorzien in een eigen inkomen en het maandelijks moeten betalen van huur of rente/aflossing van een hypotheek. Vanuit die economische afhankelijkheid zitten de meesten die niet gepensioneerd zijn en/of kunnen rentenieren ook vast aan bepaald werk om te voorzien in dat noodzakelijke inkomen. Dat werk brengt ook weer allerlei onvrijheden met zich mee. Zeker als men een vaste (gecontracteerde) baan heeft of op uitzendbasis ergens werkt. Maar ook het werken als zelfstandig ondernemer brengt vaak de nodige afhankelijkheden en concrete of meer impliciete onvrijheden met zich mee.

Veelal subtieler zijn de onvrijheden die besloten liggen in sociale verbanden en hun culturen (die overigens ook aan de orde zijn in een bedrijf waar je eventueel werkt): direct in een relatie, gezin en breder familieverband gelden vaak allerlei ongeschreven regels, verwachtingen en emotionele afhankelijkheden. Ook in vriendschappelijk verband en binnen verenigingsverband geldt dat over het algemeen. Voor zover die regels, verwachtingen en afhankelijkheden aansluiten bij je eigen normen en waarden en je weinig moeite hoeft te doen om je daaraan te conformeren of je die zelfs sterk koestert zul je die beperkingen niet als onvrijheid ervaren en zullen die dus ook niet een onvrij gevoel geven. Maar andersom geldt natuurlijk ook dat als die regels, verwachtingen en/of afhankelijkheden niet aansluiten bij je normen en waarden en/of het gedrag wat je geneigd bent te vertonen geeft dat spanning en zal dat in het algemeen je vrijheid belemmeren en/of leiden tot conflict als je niet (voldoende) conformeert aan die normen en waarden.

Veelal nog subtieler zijn de innerlijke afhankelijkheden, die samenhangen met – meer of minder dwangmatige – patronen. Het meest duidelijk zijn onderkende verslavingen, waarbij de onvrijheid al in de term besloten ligt. Men wordt door een diepere drijfveer min of meer gedwongen om gedrag te vertonen dat schadelijk is. Die schadelijkheid is soms direct onderkend zoals bij roken, snoepen en (overmatig) drank- of drugsgebruik. Soms is die schadelijkheid wat minder direct zoals bij gokken, seks, TV kijken, social media gebruik, e.d. Het is in elk geval discutabel in hoeverre het dwangmatige – meer of minder schadelijke – gedrag te zien is als een onvrijheid. Als men zonder praktische belemmering dat gedrag kan vertonen kun je het ook als vrij zien.

 

Ad D. Vrije wil en gedachtenvorming

Een nog subtieler en filosofischer niveau is dat van de vrije wil en gedachte. Er zijn filosofen en neurowetenschappers die stellen dat ‘vrije wil niet bestaat’. Ik sluit me daar graag bij aan en zie daarin 3 verschillende niveaus van onvrijheid die je als existentieel zou kunnen benoemen:

a) Vrije wil en gedachten

b) Beweegredenen

c) De vorming als menselijk wezen: van foetus naar bewust denkende en zichzelf sturende en ontwikkelende volwassene, via de levensfase als baby, peuter, kleuter, kind op de basisschool, (puberende) jongere

Ad a) Vrije wil en gedachten

Er is in ons mentale functioneren een niveau waarop gedachten en een daarmee te verwoorden wil zich vormen vanuit een proces van ontelbare associaties en gevoelens waarover we geen directe bewuste controle hebben. De concrete gedachten vormen zich steeds op enig moment daaruit, maar dat subtielere proces van vorming van die gedachten kunnen we slechts op een beperkt grofmazig niveau (bij)sturen. Hoofdzakelijk door losse gedachten te verbinden aan dat denkproces en daarin bepaalde aandachtspunten en gedachten te prioriteren of te verwerpen. Maar het subtielere proces van bijvoorbeeld welke aspecten allemaal in acht worden genomen en welk gevoel daarbij opborrelt is iets wat ‘gewoon’ gebeurt en wordt gestuurd door onze cognitieve, culturele en emotionele ‘bagage’ en ook vaak nog wordt beïnvloed door bepaalde actuele stemming en eventuele omgevingsfactoren waar we veelal lang niet allemaal bewust van zijn. Het lijkt dus misschien of we volledig in control zijn over ons eigen denkproces (voor zover dat ‘naar wens’ verloopt), maar het overgrote deel daarvan vindt volgens mij dus plaats op een onbewust – oftewel niet direct gestuurd – niveau.

Ad b) Beweegredenen

In aansluiting op het vorige: onze gevoelens en emoties en onbewuste trauma’s/gevoeligheden in ons systeem hebben in het algemeen een belangrijke invloed op ons functioneren. Voor zover we ons leven niet inkaderen met vaste patronen – samenhangend met verplichtingen zoals rond werk, school, afspraken in een relatie-/gezinsverband, met die eerder genoemde dwangmatigheden/verslavingen of met ontwikkelde gewoontes (met eventueel een bepaald doel of overtuiging) – zullen we in de keuze van ons gedrag en in ons denken daaromheen sterk beïnvloed worden door die diepere emotionele en gevoelslaag met bijbehorende gevoelens en trauma’s. Die hebben een sterk sturende invloed, die je als onvrij zou kunnen benoemen. Het is echter ook mogelijk om te stellen dat die emotionele/gevoelslaag onlosmakelijk onderdeel van je persoon en persoonlijkheid vormt en dat dat juist de basis vormt voor de keuzes die je – in meer of minder praktische vrijheid – maakt. Ook dit niveau van beperking in vrijheid is dus discutabel.

Ad c) Vorming als menselijk wezen

Tenslotte zie ik op wat ik als meest existentieel niveau beschouw een onvrijheid in de vorming van onze persoonlijkheid, van waaruit wij op een gegeven moment in ons leven onze meer of minder bewust gestuurde c.q. vrije (zie a en b) keuzes maken. Zo worden wij natuurlijk als baby en daarvoor zelfs als foetus gevormd en krijgen we bepaalde emotionele bagage mee van onze ouders. Daarna wordt dat wat explicieter in de vorm van opvoeding, gewoontes en milieu dat onze omgeving vormt. Zowel thuis als op school en op straat en bij een eventuele vereniging. Pas in de loop van ons leven als kind worden we in een bepaalde mate zo bewust van onszelf en ons gedrag dat we daar zelf bewust ook keuzes in maken c.q. bijsturen ten opzichte van wat we geneigd zijn te doen en waarin we verteld worden wat te doen en hoe ons te gedragen. In zekere zin is dus daarvoor ons leven grotendeels onvrij, hoewel we dat niet zo hoeven te ervaren. Als je in harmonie opgroeit en je je volledig kunt vinden in alles wat je meekrijgt in opvoeding, op school en daarbuiten, zul je je niet belemmerd voelen in je vrijheid. Maar je bent in praktijk niet vrij om daar zomaar van af te wijken. Pas op latere leeftijd, als je bewuster wordt van je eigen ontwikkeling en daarin te maken keuzes en je minder afhankelijk wordt van je ouders, ontstaat er meer vrijheid in de keuze hoe je verder te ontwikkelen en te gedragen. Echter de persoonlijkheid van waaruit je dat doet is dan al – in een periode van in principe existentiële onvrijheid – gevormd. Die onvrijheid hoef je dus zoals eerder aangegeven niet als onvrij en/of negatief te hebben ervaren, maar je hebt in elk geval niet bewust vanuit volledige vrijheid kunnen kiezen om die persoonlijkheid te vormen. 

zaterdag 19 december 2020

Duurzame transformatie vanuit de huidige Corona crisis

Graag deel ik mijn visie rond een duurzame transformatie van onze samenleving en economie, vanuit de huidige Corona crisis. Deze visie sluit aan op een nog steeds actuele blog uit 2013 van Otto Scharmer (grondlegger van Theory U) over een noodzakelijke ‘shift van een ego- naar een ecosysteem economie’. Hij betoogt dat er een transformatie nodig is op ecologisch, sociaal en spiritueel vlak. In andere betogen heeft hij dat nog verder genuanceerd aan de hand van een aantal bubbels waarin onze samenleving verkeert (zie illustratie).

Collectieve shift naar een socialer ecosysteem

Kern van die visie is dat we voor een duurzamere samenleving collectief een shift zullen moeten maken van het neoliberale principe waarbij ego en materiële welvaart(sgroei) centraal staan en waarbij natuur en mens vooral worden geëxploiteerd vanuit een op (ongelimiteerde) groei gerichte economie, naar een socialer ecosysteem waar gezondheid, welzijn en zingeving centraal staan en er op een duurzame manier met het natuurlijke en menselijke 'kapitaal' wordt omgegaan. Een samenleving met meer harmonie, verbinding, bezieling en aandacht en zorg voor elkaar, in lijn met bijvoorbeeld de Afrikaanse Ubuntu filosofie en het oorspronkelijk Achterhoekse Nabuurschap. Daarop aansluitend is er behoefte aan een zogenoemde welzijnseconomie, die werkelijk dienend is aan het gemeenschappelijk welzijn.

Beweging van groepen rekening houdend met diversiteit in leefstijlen

Daarbij besef ik dat niet iedere bevolkingsgroep in de huidige samenleving open staat en/of ruimte heeft of voelt voor een dergelijke verandering. Per individu of huishouden is dat mede afhankelijk van leefomstandigheden en leefstijl, zoals die bijv. als varianten in het MotivactionMentalitymodel worden geschetst. Maar als een voorhoede die beweging maakt (zoals nu al bij een klein deel van onze bevolking bewust of onbewust gebeurt) en dit vervolgens breder en meer coherent in de samenleving wordt uitgedragen kan geleidelijk een grotere massa in die richting gaan meebewegen. Ook kan dat politieke partijen inspireren om met hun beleid nadrukkelijker die kant op te bewegen. Andersom kunnen een politieke ideologie, visie en beleid die daarop gericht zijn via zo’n maatschappelijke beweging meer draagvlak krijgen en sneller tot realisatie komen. Een dergelijke wenselijke wisselwerking tussen politiek bestuur en een voorhoede in de samenleving zie ik bijvoorbeeld in het Amsterdamse beleid rond democratisering. Daar is het beleid ambitieus, maar bereikt en spreekt in praktijk nog maar een klein deel van de bevolking aan. En andersom heeft de politiek en ambtelijke organisatie die - nog relatief kleine - feitelijke beweging wel nodig om het beleid te blijven koesteren, ondersteunen en verder te ontwikkelen.

Een samenleving in verwarring

Tijdens de huidige crisis rond Corona – maar wat mij betreft ook al daarvoor – toont zich een samenleving die in verwarring verkeert. Dat zie ik niet alleen in Nederland maar ook in de EU en in de (Westerse en niet-Westerse) wereld als geheel. Die verwarring zie ik rond Corona op beleidsniveau en de reacties daarop (o.a. vanuit een platform dat zich toepasselijk oorspronkelijk ‘viruswaanzin’ noemde en in de vorm van allerlei complottheorieën), in de economie en op persoonlijk vlak bij veel individuele en groepen mensen. 

In een recente aflevering van Tegenlicht – toepasselijk ‘een nieuwe dag’ genoemd – met een compilatie van elementen van visies van vele gasten uit de afgelopen 10 jaar, komen veel aspecten en manifestaties van die verwarring en oplossingen daarvoor terug.


Deze verwarring zie ik samenhangen met een breed voorkomend gebrek aan verbinding en aan zingeving en bezieling. En met het ‘onderliggende lijden’ (o.a. stress en trauma) op individueel en collectief niveau in onze samenleving. 

In Nederland spreekt men wel van ‘mensen met verward gedrag’ bij mensen die vanuit een dergelijk onderliggend lijden psychisch ontsporen, doordraaien, gek worden/zijn, zich niet op een houdbare manier kunnen handhaven in onze samenleving, vanuit waanzin zichzelf en/of anderen bedreigen. In zekere zin kun je dat analoog zeggen over wat nu door de grote massa als normaal (gedrag en omstandigheden) wordt beschouwd: aantasting van onze leefomgeving en die van toekomstige generaties, grootschalige eenzaamheid, depressie, burn-out, voedingspatronen die leiden tot allerlei ziekten/aandoeningen, veelvoorkomende armoede en bizarre mechanismen rond schulden, ontsporende gezinnen die van jeugdzorg gebruik moeten maken, discriminatie/racisme/uitsluiting, etc... Kortom: ik zie een maatschappelijk ecosysteem met een significant gebrek aan (harmonieuze) samenhang en in een zekere staat van verwarring.

Noodzaak voor een nieuwe benadering vanuit andere paradigma's

Bij de overheid zie ik een neiging om zich met beleid, financiering van instellingen en allerlei programma’s vooral te richten op het verminderen, tegengaan en/of 'bestrijden' van afzonderlijke maatschappelijke problemen. Zij mist daarbij mijns inziens een helder inzicht wat betreft de oorsprong daarvan en een visie op een fundamentele verduurzaming van onze samenleving en economie in lijn daarmee. Dat sluit aan bij wat Einstein aangaf "We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt". Oftewel: we zullen niet tot een duurzame verandering komen vanuit de huidige leidende paradigma’s. De politieke elite zit mijns inziens gevangen in een 'systeemwereld' als bubbel met te weinig (doorvoelde) connectie met de samenleving in praktijk. Als elementen van die systeemwereld en factoren die de aansluiting met die 'leefwereld' beperken zie ik onder meer: generalistische en statistische analyses ipv verdieping in persoonlijk(e) perspectief, beleving en verhalen, economisering van beleid (zie bijvoorbeeld de gemeentelijke begrotingscyclus), een focus op korte termijn problemen en incidenten, primair een managementbenadering met bijbehorende taal, een debat- en peilingencultuur en een beperkende partijcultuur en fractiediscipline.

Gebrek aan visie en duurzame verandering bij de Coronacrisis

Dat gebrek aan visie zie ik nu ook op een pijnlijke manier terug in het beleid rond de Corona crisis. Zowel in de benadering van onze volksgezondheid als die van de economie. Men lijkt puur gefocust op het beschermen van en zo snel mogelijk terugbrengen van de oude leefsituatie en -patronen en bijbehorende (consumptie)economie. Terwijl de kwetsbaarheid van onze gezondheid juist daarmee samenhangt.
Als we collectief – letterlijk en figuurlijk – in beweging zouden komen en daarmee een gezondere meer ontspannen en zingevende leefstijl zouden ontwikkelen zou dat op brede schaal tot een krachtiger natuurlijk immuunsysteem leiden. 
Vele medici en wetenschappers hebben dit in de afgelopen periode en sommige (zoals prof. Erik Scherder) ook al vóór deze crisis uitgebreid betoogd. Nu richt de overheid al haar pijlen op het tegengaan van verspreiding van het Corona virus en op massale vaccinatie (ook van gezonde mensen voor wie de vaccins niet ontwikkeld en bedoeld zijn door de betreffende fabrikanten).
In een half jaar van persconferenties en drastische maatregelen is – naar mijn weten – door onze minister van Volksgezondheid slechts één zinnetje (onlangs) gewijd aan een oproep tot meer bewegen c.q. werken aan onze gezondheid (...). Daarna werd dit nog éénmaal terloops, zonder enige nadruk of voelbaar besef van het belang, aangehaald door Rutte in zijn laatste toespraak voor het volk. 
Het gedachtegoed rond positieve gezondheid met bijbehorend model, dat te zien is als een integraal welzijnsmodel, sluit goed aan bij die duurzamere benadering, maar lijkt (nog) niet echt geland, begrepen en omarmd binnen het betreffende ministerie.

Crisis als kans voor duurzame verandering

Ook wat betreft de – op voortdurende groei gerichte en daarvan afhankelijke – economie, die zo kwetsbaar en in vele opzichten dus niet zeer duurzaam blijkt, lijkt het besef bij het kabinet te ontbreken dat deze crisis juist vraagt om een duurzame transformatie daarvan en een perfecte kans daarvoor biedt.
Dit in aansluiting op de samengestelde betekenis van het begrip crisis in het Chinees: gevaar èn kans! Sommige partijen lijken dat nu wel min of meer te beseffen. Maar ik zie nog niet een breed uitgedragen helder toekomstbeeld van een meer op gezondheid, welzijn en saamhorigheid gerichte (welzijns)economie. Ik acht de overheid dan ook in principe– zonder interventies van buitenaf die zorgen voor meer verbinding en directe dialoog met die leefwereld – niet in staat om te komen tot een diepere duurzame systeemtransformatie.

Natuur, bezieling, kwetsbaarheid en duurzaam perspectief als basis voor transformatie

De sleutel voor een duurzame verandering ligt naar mijn idee in de eerste plaats bij de natuur en bij verbinding en bezieling/zingeving en een stuk bewustwording daaromheen. Voor een transformatie is het mijns inziens nodig om – individueel en collectief – naar de diepere pijn laag te gaan en vanuit compassie/gedeelde emotie op en vanuit dat diepere niveau te komen tot harmonie en bezielde verbinding.

Dat zal zich dan moeten en kunnen vertalen naar een fundamentele 
cultuurverandering oftewel een 
paradigmashift richting een nieuw (duurzamer) normaal dat meer in harmonie is met de natuur en onze eigen natuurlijke constellatie. Overigens is die bezielende/spirituele dimensie ook de eerste van de vier ‘returns’, die Commonland van Willem Ferwerda (nr 1 in Trouw's duurzame top 100 van 2016) hanteert om te komen tot transformatief herstel van geërodeerde gebieden en hun verstoorde gemeenschap. Via een proces gebaseerd op Theory U worden deze in balans en harmonie met de natuur daarbij weer tot bloei gebracht.

Om richting te geven aan zo’n duurzame verandering zie ik een behoefte aan een integraal beeld van een nieuw samenhangend normaal op institutioneel-economisch-maatschappelijk niveau. Een wenkend, verbindend en vertrouwenwekkend perspectief dat een handvat kan bieden voor leiderschap om tot dat nieuwe normaal te komen. Daarnaast moet dus denk ik ook een uiteindelijk breed (uit)gedragen emotioneel-spiritueel-cultureel pad worden bewandeld om daar te komen.

Nieuw leiderschap na Trump in VS als inspiratiebron

Op beide vlakken zie ik door de verkiezing van Biden al iets gebeuren in de VS, hoewel wat betreft dat tweede natuurlijk nog de vraag is in hoeverre dat de Trump aanhang en conservatieven in het algemeen zal aanspreken en mee kan laten bewegen. Maar ik hoop en verwacht dat de beweging aan de overkant van de oceaan een inspiratiebron kan vormen voor de transitie/transformatie, die ik ook in Nederland mogelijk en nodig acht om te komen tot een duurzamere meer verbonden samenleving en tot een politiek klimaat en beleid dat daaraan bijdraagt.

Waardevolle inbreng en essentieel perspectief van en voor de jeugd

Voor het vormgeven van die duurzame toekomst kan de jeugd ook een belangrijk perspectief bieden. Tenslotte heeft die per saldo het meeste baat bij een transformatie van onze samenleving en economie gericht op gezondheid, gezamenlijk welzijn en zingeving. Een groot deel van die jeugd zie ik in de greep van de consumptie economie en (sociale) media die een aanjagende en afhankelijkheid scheppende functie hebben. Maar die jeugd heeft ook een toekomst waarvoor wij als volwassenen verantwoordelijk zijn en waar wij zelfs ook in de toekomst via die jeugd baat bij kunnen hebben. Een evenwichtig florerende nieuwe generatie zal zijn weerslag hebben op de gezondheid, het welzijn en een duurzame economie in onze maatschappij. Ook voor de oudere generaties.
Daarom is het zinvol om zowel dat perspectief als de stem van de huidige jeugd een centrale rol te laten spelen bij het richting geven aan onze gezamenlijke toekomst. En om het onderwijs daarop aan te passen in plaats van als een keurslijf te laten dienen om de jeugd te vormen naar (oftewel zich aan te laten passen aan) de inrichting, kansen en werkcultuur van de huidige economie. Het oorspronkelijk vrije dynamische creatieve expressieve onbevooroordeelde sociale samen spelen, leren en creëren van de jongere generatie kan daarbij mijns inziens een goede leidraad vormen.

zondag 10 februari 2019

Een duurzame aanpak van eenzaamheid en GGZ: samen werken aan bezielde verbinding in combinatie met positieve gezondheid en zingeving

Wat valt er te leren uit het verband tussen eenzaamheid en psychische klachten en hoe kan dat – in hulpverlening en beleid – worden vertaald naar een duurzame oplossing op beide vlakken?

In deze blog ga ik verder in op mijn visie rond een duurzamere benadering van eenzaamheid en GGZ problematiek. Daarin leg ik een onderling verband met het psychische lijden als centrale factor en verbind ik die benadering met het positieve gezondheidmodel. Ook bekijk ik de mogelijke waarde van de inzet van ervaringskennis.

“Bestaat de ziel nog in onze moderne samenleving?” Zo eindigde Damiaan Denys, filosoof, hoogleraar psychiatrie aan de UvA en voorzitter van de Nederlandse vereniging voor psychiatrie, zijn betoog onlangs in de Balie. Een betoog dat hij begon met een poëtische illustratie van hoe hij als psychiater de ziel – wat dat ook precies moge zijn – bij zijn cliënten pleegt bloot te leggen. Hij betoogt onder meer dat de individualisering, digitalisering en virtualisering in onze samenleving tot ontmenselijking neigen te leiden.
Dit in een debat met Jim van Os, eveneens psychiater, die met name een laagdrempelige 'publieke GGZ' voorstaat in aanvulling op de individuele behandelingen door professionele hulpverleners. Beide benadrukken overigens het belang van zingeving.
Eenzaamheid en psychische stoornissen vormen een probleem in ons land (en in veel andere Westerse landen) van epidemische omvang. 4 op de 10 Nederlanders kampt met psychische klachten, waarbij bijvoorbeeld burn-out en depressie hoog scoren. De GGZ gerelateerde klachten gaan doorgaans samen met eenzaamheid. Volgens de GGD (gemeten in 2016) is 48% van de Amsterdammers matig tot ernstig eenzaam. Daarvan is vrijwel iedereen sociaal en driekwart emotioneel eenzaam. 13% blijkt ernstig eenzaam.
In onze lieve barmhartige stad Amsterdam leven we dus voor een groot deel langs elkaar heen. Heel toepasselijk heeft een kunstenares, Ideke Polman, dit vertaald naar de term ‘Eensaam’. Een collectieve beweging in onze Amsterdamse samenleving naar meer saamhorigheid en verbinding zie ik als wenselijk en als een essentieel deel van de oplossing van het epidemische eenzaamheidsprobleem.

Een andere kijk op en benadering van eenzaamheid
In de benadering van eenzaamheid zie ik, zowel beleidsmatig als in praktijk, vooralsnog een focus op de sociale omstandigheden en mogelijke verandering, hulp en faciliteiten op dat vlak. Ik mis in die benadering de primaire aandacht voor het lijden, die wel terug te zien is binnen de GGZ.
Hierop aansluitend geloof ik sterk in de positieve gezondheidsfilosofie (Machteld Huber), die uitgaat van een breed spectrum van met elkaar samenhangende welzijnsaspecten. Daarbij richt men zich niet alleen op specifieke gezondheidsklachten maar ook op aspecten die het leven dragelijk of zelfs prettig maken en die daarmee kunnen bijdragen aan het algehele welzijn. Ik zie daarin ook een belangrijke mogelijke positieve wisselwerking die mensen kan helpen letterlijk en figuurlijk ‘beter te worden’.
Rond eenzaamheid hanteert Movisie een model van een trap waarop men steeds verder afdaalt (neerwaartse spiraal) met een negatieve wisselwerking tussen de beleefde eenzaamheid en de gedachten die men daaromheen ontwikkelt. Als oplossing ziet men daarbij vooral het veranderen van die cognitieve benadering van eenzaamheid. In lijn met het positieve gezondheidmodel sta ik een veel bredere benadering voor waarbij vooral ook het lichamelijke welzijn, dat sterk samenhangt met de mate van lijden, als essentiële factor wordt beschouwd.

Verband tussen eenzaamheid en GGZ
In de GGZ wordt gesproken over psychisch lijden. Bij eenzaamheid geldt eveneens dat het gemis aan een bepaalde hoeveelheid contacten (‘sociale eenzaamheid’) en/of diepgang van contact (‘emotionele eenzaamheid’) dan wel een algeheel gevoel van alleen zijn (‘existentiële eenzaamheid’) gepaard gaat met een zekere mate van (psychisch) lijden.
Vanuit verschillende hoeken (diverse psychiaters waaronder Damiaan Denys, ambulant begeleiders, een gepensioneerd psychotherapeute en ervaringsdeskundigen) wordt onderschreven dat GGZ problematiek in het algemeen samengaat met eenzaamheid. Andersom geldt dat overigens niet per definitie: niet iedereen die aan eenzaamheid lijdt, lijdt ook aan een psychische stoornis. Zo kan men bijvoorbeeld na het wegvallen van een partner zich eenzaam voelen zonder dat ook sprake is van een psychische diagnose.
Net zoals men in de GGZ gericht is op het verminderen en/of beter leren omgaan en accepteren van het lijden – en daarmee samenhangende stress – is er in de aanpak van eenzaamheid mijns inziens te winnen door zich bewust hierop te richten. Andersom denk ik dat er in de GGZ te winnen is door op een genuanceerde manier naar het eenzaamheidsaspect te kijken en bewust te werken aan een duurzame oplossing op dat vlak. Enerzijds door betrokkenheid van naasten in een hulp-/ondersteuningsrelatie en anderzijds door te helpen om duurzame sociale relaties te ontwikkelen en te onderhouden. Dat is ook onderdeel van de zogenoemde herstelaanpak.

Het bredere maatschappelijke perspectief
Het individualisme en de daarmee samenhangende manier waarop onze samenleving is ingericht en wij met elkaar omgaan in de publieke ruimte, bijvoorbeeld op straat, op school, in het openbaar vervoer, aan de kassa, is medebepalend voor ons gevoel van verbonden zijn met anderen. Dat heeft zijn weerslag op onze onderlinge omgang en verbinding op een intiemer niveau in relaties, gezinnen, breder familieverband, vriendschappen, als buren, op een vereniging en als collega’s. Andersom werkt dat natuurlijk evenzeer: hoe minder diepgaand onze omgang en verbinding in intieme relaties hoe oppervlakkiger we daarbuiten met elkaar neigen om te gaan. In het algemeen heeft de individualisering, digitalisering en virtualisering zoals eerder aangehaald en de – vaak gestresste – manier waarop we om plegen te gaan met tijd een emotioneel afvlakkend effect op onze menselijke interactie, sensitiviteit en verbinding. Saamhorigheid en maatschappelijke betrokkenheid nemen af door een focus op eigen behoeften, gevoel en beleving.

Duurzame benadering op persoonlijk niveau
Een duurzame aanpak van eenzaamheid op persoonlijk niveau vraagt veelal niet alleen om het op cognitief en sociaal vlak ombuigen van de neerwaartse spiraal, maar ook om een wending op fysiek en emotioneel niveau. Soms zelfs via een emotionele doorbraak. In mijn ervaring is er vaak sprake van een diepere emotionele blokkade en/of trauma(s), die een positieve ontwikkeling op die andere vlakken tegengaan. Dat zorgt naast het gevoelde lijden ook voor zaken als onbalans, gebrek aan zelfvertrouwen, angst, negatieve stemming, gebrek aan energie.
Zo kan het nodig zijn om, vanuit een beperkt vertrouwd en veilig contact met een hulpverlener of naaste, eerst ‘lekkerder in je vel’ te komen alvorens nieuwe contacten aan te gaan of verwaterde contacten te verbeteren. Niet alleen omdat de motivatie en het zelfvertrouwen daarvoor ontbreken, maar ook omdat er teveel in de weg staat om een (wederzijds) bevredigend contact te hebben.
Verder is de eerder genoemde zingeving een belangrijke dimensie. Zonder zingevend perspectief zal men veel gevoeliger zijn voor het lijden en voor terugslag na een positief contact. De aandacht zal dan meer naar het verleden en negatieve gevoelens die daarmee samenhangen gaan, in plaats van een positief inspirerend gevoel te ervaren over de actuele omstandigheden en/of de toekomst. Uiteindelijk heeft iedereen behoefte aan een stuk houvast in de vorm van zingevende activiteiten en daaraan gekoppelde zelfontplooiing en eigenwaarde. Dat is ook één van de dimensies, namelijk ‘maatschappelijke rollen’, waar de eerdergenoemde herstelvisie in de GGZ (p 9) zich op richt.
Naast die fysieke en maatschappelijke basis is de steun vanuit en een positieve sfeer binnen het persoonlijke netwerk ook essentieel. Dit met als uitgangspunt dat we als mens niet bedoeld zijn om solitair maar juist in een warme voedende verbinding met anderen, in partner-, gezins-, familie-, collegiaal, buurt- en/of ander verband, door het leven te gaan. Saamhorigheid en samenredzaamheid, zoals die terugkomen in het Oost-Nederlandse ‘nabuurschap’ en de Afrikaanse ‘Ubuntu’ filosofie (“I am because we are”), sluiten daar goed bij aan.

Betrokkenheid van ervaringskennis
Vrijwel iedereen heeft ervaringskennis als het gaat om eenzaamheid. We kennen het allemaal in zekere mate in ons eigen leven, nu en/of in het verleden en zullen er ook direct of indirect in onze omgeving mee te maken hebben gehad. Als je naar de omvang van het probleem kijkt dan is dat ook niet verwonderlijk. Sommigen, met name in de GGZ sfeer, hebben die ervaringskennis – via gerichte training/opleiding – gekoppeld aan een zekere deskundigheid om deze op een zinvolle manier in te zetten. Bijvoorbeeld door anderen te helpen, bij te dragen aan beleidsvorming en/of bij de training van professionele en/of vrijwillige hulpverleners op dit vlak.
In het algemeen zie ik als belangrijke waarde van ervaringskennis dat zij helpt om dichter bij de praktijk te blijven in plaats van te zeer te generaliseren en te abstraheren en daarmee het contact met de realiteit te verliezen. Het kan bijvoorbeeld hulpverleners helpen om compassie te tonen en zo vanuit hun eigen kwetsbaarheid op een dieper (emotioneel) niveau contact te maken met de eenzame medemens die zij graag willen helpen. Het kan hen ook helpen om bewuster te worden van eigen motieven en overtuigingen die raken aan het (betaalde of vrijwilligers)werk dat zij doen.
De waarde van ervaringsdeskundigen wordt steeds meer onderkend. Maar het is nog wel ook een uitdaging om een goede zinvolle match te maken van ervaringskennis aan mogelijke inzet, om die inzet goed te organiseren en daar een rechtvaardige beloning oftewel waardering aan te koppelen.

Conclusies en aanbevelingen

Van symptoombestrijding naar duurzame ontwikkeling - Vanuit de verbinding tussen eenzaamheid en GGZ zie ik een wenselijkheid en concrete aanknopingspunten om in de persoonlijke benadering van eenzaamheid een verschuiving te maken van symptoombestrijding naar duurzamere benaderingen en oplossingen en om als samenleving een beweging te maken naar meer verbinding.

Het lijden, de ziel en compassie - Voor een duurzame aanpak is het essentieel om bewust aandacht te geven aan de ziel (oftewel het emotionele niveau) van mensen die ernstig lijden aan en in eenzaamheid. Compassie is hierbij mijns inziens het toverwoord. Hiervoor moet een hulpverlener of naaste ook zelf contact maken met zijn/haar ziel en een eventueel lijden. Om dat vanuit een voldoende positieve energie en kracht te kunnen doen is ‘presentie’, rakend aan het populaire ‘mindfulness’, nodig. Het is dus zaak om je als hulpverlener en/of naaste emotioneel open te stellen en daarbij een zekere kwetsbaarheid te tonen. Maar ook om dat vanuit voldoende eigen balans en kracht te doen, zodat je niet wordt meegesleept in emotionele misère en/of de stress van de ander.

Ontspanning - Als absolute kern en basis voor een duurzame oplossing zie ik ontspanning, bijvoorbeeld via mindfulness of yoga, en het leren dragen van pijn of spanning voor zover die (in eerste instantie of blijvend) niet is weg te nemen.

Zingevend ontwikkelingsperspectief - Verder zie ik als essentieel voor een duurzame oplossing van eenzaamheid om ons te richten op een breed ontwikkelingsperspectief, zowel op fysiek, mentaal en emotioneel niveau als maatschappelijk en sociaal gezien. Doel is daarbij dan om in samenhang e.e.a. positief te laten ontwikkelen. Als we alleen op cognitief en/of sociaal vlak werken aan verbetering zal dat vaak sterk geremd worden door een negatieve/blokkerende toestand op een ander niveau.

Inzet van ervaringsdeskundigheid - Wat betreft de beleidsvorming en begeleiding en/of training van hulpverleners en naasten zie ik veel waarde in het betrekken van ervaringskennis, al dan niet in combinatie met opleiding tot ervaringsdeskundige. Deze kan helpen om praktisch en realistisch te blijven in plaats van teveel te abstraheren en in systemen te denken, die uiteindelijk niet aansluiten bij de belevingswereld en het feitelijke gedrag van hulpbehoevenden. En het kan helpen om hulpverleners dichter bij hun eigen emoties te laten komen en vanuit die kwetsbaarheid hun ‘cliënten’ te benaderen.

Omslag van individualisme naar saamhorigheid in de samenleving - Tenslotte verwacht ik dat op maatschappelijk niveau het epidemische tij rond eenzaamheid en GGZ zich alleen zal keren als we als samenleving collectief een beweging maken naar meer saamhorigheid en samenredzaamheid. Daarbij zullen we ons – in lijn met de Ubuntu filosofie – primair als onderdeel moeten gaan zien van een groter sociaal verband, in plaats van ons te gedragen en te behandelen als individuen die primair gericht zijn op eigen welvaart(sgroei) en welzijn. Het vanuit de lokale overheid stimuleren, faciliteren en financieren van initiatieven op dat vlak in de buurt en op grotere wijk- en stadsschaal zie ik daarbij als essentieel en hoogrenderend wat betreft bevordering van het gemeenschappelijk welzijn en de (psychische èn fysieke) volksgezondheid.

dinsdag 20 februari 2018

Transformatie van een onduurzaam leefsysteem en bijbehorende tijds-beleving

Als bepaalde belangrijke zaken – in werk en/of privé – structureel tegen zitten of blokkeren is het tijd voor een time-out om het tij te keren en het blijkbaar niet duurzame leefsysteem dat dit voortbrengt te transformeren.

Als het lukt om te komen tot een andere tijds-beleving (letterlijk en figuurlijk) keert dat tij vanzelf mee. Tijd is namelijk - in onze Westerse cultuur – samen met geld één van de (zo niet dè) meest bepalende en dwingende factoren in ons leefsysteem. Persoonlijk, in relaties en gezinnen en collectief...

Als je tot een werkelijk vrije-tijdsbeleving kunt komen, waarin een belastend gevoel van moeten structureel wordt vervangen door een geïnspireerd gevoel van zin hebben in, zit je overduidelijk op het juiste of in elk geval een beter - gezonder, zingevender en meer geluk brengend - pad.

Vrijheid geeft ruimte voor creativiteit oftewel ‘creatieve tijd’. Als het daarin lukt om zinnige nieuwe zaken te creëren, krijgt je leven vanzelf nieuwe zin en krijg je tegelijkertijd nieuwe zin in het leven.

Dit vormt naar mijn idee een belangrijk antwoord op alle fundamenteel onduurzame leefsituaties, zelfs wanneer men lijdt aan en onder een terminale ziekte. Maar zeker bij (ernstige) eenzaamheid, depressie, obesitas, verslavingen, burn-out, (lethargische) passiviteit, (andere) psychische aandoeningen, hart- en vaatziekten, diabetes, reuma, astma, dementie, etc...

Iedere ziekte of aandoening houdt verband met het lijden, waarmee men steeds duidelijker - oftewel bewuster - wordt geconfronteerd. De vraag is alleen wat er eerder was: de ziekte of het lijden. Mijn stelling is dat het laatste veelal het geval is: het - in eerste instantie onbewuste of minder concrete - lijden leidt dan tot de ziekte en die wakkert het lijden verder aan in een vicieuze (= letterlijk: kwaadaardige) cirkel. Door die cirkel te doorbreken door positieve beleving en ontwikkeling de overhand te laten krijgen - al dan niet met begeleiding/ondersteuning - kan men dus het tij keren.

Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van het positieve gezondheidconcept en –model (van Machteld Huber), dat in wezen een integraal welzijnsmodel omvat. Dat model wijst ook naar de essentie: het ombuigen van een ‘lijdensweg’ naar een positieve welzijnsontwikkeling. Die hoeft niet expliciet gerelateerd te zijn aan de concrete klachten en/of daarmee samenhangende pijn of behoeften. Het belangrijkste is het in eerste instantie verminderen van het algehele lijden en vervolgens voornamelijk of algeheel genieten van het leven. Dan wordt men letterlijk en figuurlijk 'beter'. Misschien niet (direct) in maatschappelijke zin (op basis van de heersende Westerse normen), maar in elk geval in de zin van de menselijke harmonieuze natuur. 
Intensief contact met dè natuur, waarbij je automatisch (na enige tijd) veel loslaat van het ‘normale’ voor velen drukke dagelijkse bestaan, helpt om weer meer contact te maken met die menselijke natuur, zoals een zogenoemde ‘Nature Quest’ beoogt en dit interessante interview met Miriam Lancewood die al jaren met haar man in de wildernis doorbrengt illustreert.

Dat natuurlijke welzijn vormt mijns inziens ook de basis voor een duurzame persoonlijke (en gemeenschappelijke) welvaart. Dat zie ik ook als de kern van natuurgeneeskundige, zoals die vooral in Oosterse tradities en filosofieën terugkomt. Dat betekent veelal dat men een onduurzaam ziekmakend leefsysteem fundamenteel moet loslaten en transformeren naar een duurzaam gezond(er) leefsysteem. (Voldoende) (diepgaande) ontspanning is daarin een absolute basis. (Structurele) stress is per definitie niet gezond en dus niet duurzaam. Dat geldt dus ook per definitie voor het algehele leefsysteem met alle bijbehorende patronen die tot die stress leiden. Gezonde voeding c.q. stofwisseling en voldoende beweging zijn natuurlijk ook essentiële factoren voor een gezond leven. Maar voeding en beweging en de motivatie daaromheen hebben veelal een belangrijke wisselwerking met de mate van spanning in ons leven en die beïnvloedt andersom ook weer de stofwisseling.


Ontspannende activiteiten leiden meestal tot een zekere verlichting in een doorgaans gespannen leven. Maar als de stress aanhoudt is het dus geen duurzame oplossing. Veelal moet een diepere emotionele blokkade worden doorbroken c.q. spanning ontladen, om te komen tot andere gevoels-, denk- en gedragspatronen (die met elkaar samenhangen en elkaar in stand houden zoals bij allerlei verslavingen en andere dwangmatigheden). Die nieuwe patronen moeten natuurlijk ook vorm worden gegeven en dat kan het beste vanuit ontspanning en nieuw (zingevend) perspectief in combinatie met voldoende ruimte voor creativiteit en (emotionele) expressie. Openheid en een vertrouwenssfeer zijn daarbij vaak sleutelfactoren, die in combinatie met die bovengenoemde zaken tot (hernieuwde) balans en zelfvertrouwen kunnen leiden.